Het kind van Zwammerdam

In het Rampjaar 1672 was het volk redeloos, het land reddeloos en de regering radeloos. De onzekerheid en de behoefte aan veiligheid waren zo groot, dat er veel behoefte was aan een sterke man. De jonge Prins Willem III voldeed aan die behoefte.

Er kwam zelfs een gerucht in omloop dat Willem afschilderde als een redder in nood. Het gerucht werd opgetekend door een advocaat in Den Haag en gretig verder verteld.

Willem kwam aan in de smeulende puinhopen van Zwammerdam en vond midden op de weg een zuigeling, een jongetje van nog geen jaar oud. Zijn ouders waren vermoedelijk omgekomen. Prins Willem stapte van zijn paard, tilde het kind uit de modder en gaf het aan een officier. Duidelijk hoorde men de Prins zeggen dat ervoor moest worden gezorgd dat het kind goed zou worden opgevoed.

Het verhaal kreeg een allegorische zeggingskracht die Orangisten en alle Nederlanders die snakten naar een sterke leider een warm gevoel bezorgde: de Prins ontfermde zich over het weerloze, onschuldige vaderland.