Historie

De waterlinie in vogelvlucht

De Oude Hollandse Waterlinie was in de 17e en 18e eeuw een militaire verdedigingslinie en ligt tussen het IJsselmeer en de Biesbosch. De Oude Hollandse Waterlinie vormde enkele eeuwen lang de ruggengraat van de Nederlandse defensie en is nauw verbonden met de Nederlandse waterbouwkundige traditie. De Oude Hollandse Waterlinie is, evenals haar navolgers (Nieuwe Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam) aangelegd ter verdediging van de economische en politieke macht van Holland en Amsterdam tegen aanvallen uit het oosten. Deze verdediging was gebaseerd op het onder water zetten (inunderen) van grote gebieden, een concept dat buiten Nederland nergens op zo’n grote schaal is toegepast en dat gezien kan worden als één van de grootste infrastructurele ingrepen die ooit in ons land hebben plaatsgevonden. De linie was een doordacht netwerk van inlaatplaatsen, dammetjes en sluisjes, aanvoerkanalen, dijkjes, waterpeilbeheer en strategische met forten versterkte locaties. Dit was ten behoeve van de verdediging van plaatsen die niet onder water konden worden gezet, of bevaarbaar waren. Samen met de bestaande natuurlijke barrières waren zo naar verhouding veel minder troepen nodig dan anders bij een lange grens het geval zou moeten zijn.

Ontstaansgeschiedenis

De Oude Hollandse Waterlinie is ontstaan in het Rampjaar (1672), toen Frankrijk, Engeland en een tweetal Duitse vorstendommen (Munster en Keulen) de oorlog verklaarden aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Deze bestond uit de gewesten Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland en Groningen; verder daarbij het landschap Drenthe; Noord-Brabant en delen van Limburg in de zogenaamde Generaliteitslanden. Het concept van de waterlinie stamt uit het einde van de zestiende eeuw en werd in 1672 realiteit onder druk van een oprukkend groot Frans leger. Na het afslaan van deze aanval werd besloten de waterlinie uit te bouwen tot een duurzame verdedigingslinie.

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Na de Middeleeuwen groeide er in de Nederlanden -ongeveer het gebied van de huidige Benelux- een conflict tussen het centrale Spaanse gezag, met een naar absolute macht strevende landsheer, en de gewestelijke overheden, vertegenwoordigd in de Staten1, die de gewestelijke vrijheden wilden handhaven. Dit conflict liep uit op een opstand, die overging in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). In deze Tachtigjarige Oorlog of Opstand ontstond de Republiek. In 1576 werd in Gent de basis gelegd voor een gezamenlijk leger om de Spaanse troepen van de centrale overheid te verjagen. De opmars van de Spaanse troepen in de jaren 1578-1592 maakte dat de Zuid-Nederlandse gewesten zich weer schikten onder het Spaanse gezag. Het Staatse leger werd daardoor de strijdmacht van de noordelijke gewesten, die weerstand bleven bieden tegen Spanje. Er werd een beroepsleger ingesteld, het wapenarsenaal werd gestandaardiseerd en fortificaties werden aangelegd. Veel steden kregen nieuwe vestingwerken.

In theorie hadden de Nederlanden zich in de Republiek verenigd als gelijkwaardige gewesten met een gezamenlijke defensie en belastingen voor deze defensie, een gezamenlijk buitenlands beleid en andere zaken, maar in de praktijk was het gewest Holland dé motor en leider van de Republiek met veruit de meeste inwoners, financiële middelen en vormen van bedrijvigheid. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795) speelde ruim twee eeuwen mee op het toneel van de Europese staten. In de 17e eeuw speelde zij zelfs een hoofdrol, want hoewel het grondgebied nooit groot was, had zij toen een grootschalige visserij en een wereldomvattend handelsstelsel opgebouwd. Een enorm scheepvaartbedrijf en een hoog ontwikkelde aanleverings- en verwerkingsnijverheid hingen hiermee samen. Zonder strijd en conflicten kon een dergelijke vooraanstaande positie niet bereikt worden en/of gehandhaafd blijven. Naast een formidabele zeemacht had de Republiek in de loop van de Opstand aan de buitengrenzen daarom een gordel van versterkte steden en forten met permanente garnizoenen uitgebouwd.

De eerste waterlinies

Nadat het Staatse leger in 1585 bij Amerongen een nederlaag tegen de Spanjaarden leed, werd de sluis bij Vreeswijk geopend om de omliggende landen te inunderen en de vijand tot staan te brengen. In een eerder stadium van de strijd waren bij Den Briel (1572), Leiden (1574) en Woerden (1575-1576) delen van de omgeving onder water gezet om de vijand op afstand te houden. In deze fase ging het echter nog om incidentele inundaties. Ook in het latere Zeeuws-Vlaanderen werden tussen 1583 en 1586 veel polders onder water gezet om de Staatse gebieden (Terneuzen, Axel, Antwerpen) beter te kunnen verdedigen.

Geleidelijk werd duidelijk dat de oorlog met Spanje van lange duur zou zijn. In Holland begon men daarom onderzoek te doen naar manieren om de verdediging te optimaliseren. Het verdedigingswapen van de inundatie was een mogelijkheid die het cultuurlandschap van Holland en West-Utrecht bood. Het betreffende cultuurlandschap was namelijk polderland dat kunstmatig droog gehouden werd met poldermolens en dat desgewenst onder water gezet kon worden. Het optreden van de Spaanse troepen in de Zuidelijke Nederlanden en het verlies van enkele steden in het oosten maakte duidelijk dat met een Spaanse inval in Holland en Utrecht rekening gehouden moest worden. De Staten van Holland probeerden daarom samen met Utrecht een gezamenlijke verdediging op te zetten. In 1589 volgden hiervoor de eerste plannen. Twee waterlinies waren daarbij in het geding: een Grebbelinie (van de Zuiderzee door de Gelderse Vallei naar de Neder-Rijn ten oosten van de Grebbeberg) en een Utrechtse waterlinie (tussen Muiden, Utrecht en langs de Vaartse Rijn naar Vreeswijk aan de Lek). Pas in 1629 werd echt werk gemaakt van de Utrechtse waterlinie en werden bij Hinderdam, Nieuwersluis, Utrecht en Vreeswijk eenvoudige aarden verdedigingswerken aangelegd. Bijna een halve eeuw later bleek uit een onderzoek dat grote hoeveelheden kwelwater de inrichting van deze linie bemoeilijkte en duur maakte. Daarnaast weigerden de Staten van Utrecht hun soevereiniteit in geval van oorlog  op te geven; bovendien zagen zij meer in een verdediging in de Gelderse Vallei. Daarop werd in het voorjaar van 1672 besloten Utrecht zonder verdediging te laten.

In Holland besloot men zelf te onderzoeken hoe door het inlaten van water op diverse lage plaatsen of anderszins het land voor de vijand ontoegankelijk gemaakt konden worden. Voor de verdediging van Holland werd gekozen voor inundaties langs de oostgrens van het gewest, waarbij ook Utrechts grondgebied werd betrokken. Doordat grote delen van dit gewest later door de Fransen waren ingenomen, hoefde toen geen rekening gehouden te worden met de (oorspronkelijke) soevereiniteit van Utrecht. Dat vooral de lange oostgrens van het machtige en rijke Holland bescherming behoefde, had te maken met het verdedigingsstelsel van de Republiek, waarin de IJssel (in Gelderland en Overijssel) veel minder een barrière vormde voor vijanden dan de verschillende grotere rivieren in het zuiden (Lek, Waal, Maas, Merwede). Onderzoek in de gebieden van de hoogheemraadschappen van Rijnland en Woerden, Schieland, Delfland, de Krimpenerwaard, de Alblasserwaard, het Land van Altena en dergelijke resulteerde in gedetailleerde beschrijvingen van de uiteenlopende polderpeilen. Aan de hand van deze rapporten begon men aan de noodzakelijke voorwerkzaamheden die voor mogelijke inundaties vereist waren, maar door het acute oorlogsgevaar moest er al in juni/juli 1672 daadwerkelijk geïnundeerd worden.

1672: Reddeloos, Redeloos, Radeloos

Naast een formidabele zeemacht had de Republiek in de loop van de Opstand aan de buitengrenzen een gordel van versterkte steden en forten met permanente garnizoenen opgebouwd. In 1672 bleek de landverdediging door verwaarlozing echter amper een hindernis en rukten de vijandelijke legers, in naam van de Franse zonnekoning Lodewijk XIV (1638-1715), angstwekkend snel op naar het hart van de Republiek: Holland en Amsterdam. Dat de omringende landen zich in het voorjaar van 1672 tegen de Republiek keerden had vooral te maken met de grote handelsbelangen. In het toenmalige centrum van de wereldhandel en de scheepvaart was immers veel te halen. Verder met andere zaken zoals politieke en militaire allianties, territoriale aanspraken en rivaliteiten, dynastieke ambities en verwikkelingen, godsdienstige, ideologische en andere kwesties. Die waren echter van alle tijden, maar in 1672 schoot het diplomatiek en politiek handelen van de leidende regenten van de Republiek kennelijk beslissend tekort. En zo werd 1672 hét traumatische jaar in de Gouden Eeuw. De verheffing van de jonge Prins Willem III tot stadhouder en opperbevelhebber. Het jaar van militaire ineenstorting, van bijna totale demoralisering; het jaar waarin de ondergang van de machtige en bedrijvige Republiek aanstaande leek; het jaar van de grootste krach op de Beurs van Amsterdam in de vroegmoderne periode, van de verlamming van de Nederlandse handel en financiën, met een run op de wisselbanken; het jaar waarin de bouw van publieke werken abrupt stokte en de kunsthandel ineenstortte; het jaar van sensationele en moorddadige gebeurtenissen in de binnenlandse politiek en van hoog oplopende ideologische conflicten; het jaar van totale verwarring en grote volkswoede op het leger en de regenten; kortom reddeloos, redeloos en radeloos.

Nadat de vijand tot in de Betuwe was doorgedrongen, verliet het Staatse leger de stelling achter de Gelderse IJssel en trok zich terug. De nieuwe stelling waar het leger na het verlaten van de stad Utrecht geplaatst werd, strekte zich uit van Gorinchem, Woudrichem en Loevestein via Ameide en Schoonhoven, Goejanverwellesluis, Nieuwerbrug en Bodegraven, via het Woerdens Verlaat, Uithoorn en Ouderkerk aan de Amstel, Abcoude, Hinderdam, Uitermeer, Weesp naar Muiden en het Muiderslot. Deze stelling moest het in de eerste plaats hebben van de aaneengeschakelde inundaties rond de genoemde plaatsen, Een aantal wegen en polderkaden deden daarbij dienst als keerkaden. Op de cruciale plaatsen in de linie – vooral de waterlopen met de sluizen – werden in eerste instantie oude schansen in gereedheid gebracht en gewapende schepen geposteerd. De waterlinie werd door de rivieren de Merwede, de Lek, de Hollandsche IJssel, de Oude Rijn en de Vecht in verschillende gedeelten of kommen verdeeld:

De inundaties

Kom 1 Inundatie in het Land van Altena;
Kom 2 Inundatie tussen de Merwede bij Gorinchem en de Lek bij Ameide (de Alblasserwaard en delen van de Vijfheerenlanden en de Tielerwaard);
Kom 3 Inundatie tussen de Lek bij Schoonhoven en de Hollandsche IJssel bij Goejanverwellesluis (de Krimpenerwaard en Lopikerwaard (deels));
Kom 4 Inundatie van de Hollandsche IJssel bij Goejanverwellesluis tot de Oude Rijn bij Nieuwerbrug en de Wierickerschans en vandaar tot het Woerdens Verlaat. Het eerste gedeelte was aan de west- en oostzijde begrensd door de Dubbele en Enkele Wiericke, het tweede gedeelte door respectievelijk de Grecht en de Meije;
Kom 5 Inundatie vanaf het Woerdens Verlaat tot de Amstel en van daar tot de Zuiderzee bij Muiden.


Verloop van de strijd

In eerste instantie was onderwaterzetting de hoofdmoot van de verdediging; vestingen lagen in 1672 alleen aan de uiteinden van de waterlinie (Gorinchem, Woudrichem en Loevestein in het zuiden en Naarden, Muiden en het Muiderslot in het noorden) en voor een klein deel bij Schoonhoven. Het gebied werd in 1672 daarom vooral met vaartuigen verdedigd. In tegenstelling tot de landverdediging was de verdediging op het water namelijk wel in orde, mede te danken aan een tweetal tamelijk recente zeeoorlogen in 1652- 1654 en 1665-1667 tegen de grote maritieme rivaal Engeland. De oorlogsvloot van de Republiek onder leiding van Michiel Adriaanszoon de Ruyter (1607-1676) hield in het Rampjaar een gecombineerde Engelse en Franse oorlogsvloot op afstand waardoor invasies vanuit zee achterwege bleven.

Gedurende ruim een jaar lagen de legers aan beide zijden van de inundaties en werd regelmatig met kleinere eenheden gepoogd de linie over te steken en in het gebied van de tegenpartij verwarring te stichten of plunderingen aan te richten. Deze ‘schermutselingen’ speelden zich af in een decor van de eerder beschreven dijken en kaden die boven het geïnundeerde land uitstaken.

De inundaties wisten de Fransen weliswaar tot staan te brengen, maar de invallende vorst dreigde eind december 1672 roet in het eten te gooien. De watervlakten werden immers begaanbaar en een flinke Franse troepenmacht trok het ijs over ten noorden van de Oude Rijn via Zegveld, waar geen versterkingen waren om de soldaten tegen te houden. De plotselinge dooi in de dagen daarna dreigde de Fransen evenwel fataal te worden. Ze konden echter via de zuidoever van de Oude Rijn terug omdat een Staatse bevelhebber daar de versterking bij Nieuwerbrug had verlaten. Het onbeschermde gebied aan de zuidzijde van de Oude Rijn werd door het Franse leger totaal verwoest.

De Franse terugtocht

De inundaties waren in het Rampjaar met grote haast en soms bij toeval gesteld, waardoor grotere gebieden dan strikt noodzakelijk was, onder water kwamen te staan. In 1673 begon het tij echter te keren en nam het geloof in een goede afloop toe. Het defensieve maakte daardoor plaats voor het offensieve, ook in de inrichting van de waterlinie. Vanaf het begin van 1673 kwam er meer systeem in de wijze van inunderen: verschillende doorgravingen werden gedicht, dijken en kaden verzwaard en/of verhoogd en inundaties teruggebracht tot het nodige, terwijl op 1 augustus 1673 een vast peil werd bepaald waarop het inundatiewater gesteld zou moeten blijven. Welk peil dit was, is onbekend. Het werd afgekondigd op gezag van de prins van Oranje. De aanleg van een nieuw sluizencomplex in de Vecht in Muiden vanaf 1673 was van cruciale betekenis om de inundatie goed te kunnen regelen. Deze grote zeesluis zou de oude sluizen in de Hinderdam (op de grens van Utrecht en Holland) overbodig maken, overigens na bijna een eeuw van plannenmakerij en tegenwerking van Utrecht.

De vestingsteden

Verder werd voortvarend een begin gemaakt met de daadwerkelijke fortificatie van de Hollandse waterlinie in 1673. In het zuiden was de vestingdriehoek Gorinchem, Woudrichem en Loevestein goed verdedigbaar. Kleine versterkingen konden hier volstaan. Langs de Lek hadden de Fransen Ameide in 1672 verwoest en zou het dijkstadje Nieuwpoort tot vesting moeten worden gemaakt. In Schoonhoven werd het aantal bastions van drie (aan de oostkant) uitgebreid tot acht. De stad was hierdoor geheel gesloten in militair opzicht. Samen zouden Nieuwpoort en Schoonhoven de toegang via de Lek en de hoge dijken voorgoed moeten afgrendelen.

In het kleigebied van de Hollandse IJssel en de Oude Rijn werd de vesting Oudewater behoorlijk versterkt, hoewel deze stad nog niet officieel in de waterlinie was opgenomen. Bij Gouda werden in 1673 enige verdedigingswerken aangelegd in verband met de waterlinie. Op de plaatsen waar de Dubbele en Enkele Wiericke de Hoge Rijndijk kruisten (de toenmalige weg van Woerden naar Leiden) werden na de verwoestingen van het Franse leger nieuwe fortificaties opgebouwd. Aan de oostkant bij de Nieuwerbrug was dat een klein fort (samen met een kleinere dijkpost aan de andere zijde van de Oude Rijn) en daar achter aan de westkant een groot fort op de plek van een oude schans: Fort Wierickerschans. Woerden bleef tot november 1673 in vijandelijke handen.

In het noorden moesten vestingsteden en forten de toegang tot Holland en Amsterdam via het mondingsgebied van de Vecht en langs de Zuiderzee vergrendelen. Muiden werd echt versterkt, terwijl Weesp tot een vesting gemaakt zou moeten worden. Naarden bleef tot september 1673 in het bezit van de Fransen. In deze hoek werden tevens enkele schansen uitgebouwd tot forten bij Uitermeer (ter bescherming van de sluis in de Gravelandse Vaart naar het oosten) en bij de Hinderdam (ter controle van de beide Vechtoevers en de smalle Kees-Jan-Toonekade). Verderop langs de Vecht werd bij de Nieuwersluis zelfs een complete vesting uit de grond gestampt in 1673. Hierdoor kon de inundatie in zuidoostelijke richting uitgebreid worden.

Al met al werden zo in korte tijd enorme bedragen geïnvesteerd en grote aantallen arbeidskrachten ingezet in de gestelde inundaties en fortificaties tussen Gorinchem en Muiden, een bewijs dat het niet (langer) ontbrak aan vitaliteit om zich teweer te stellen tegen de vijand.