Doordacht netwerk

Dit was ten behoeve van de verdediging van plaatsen die niet onder water konden worden gezet, of bevaarbaar waren. Samen met de bestaande natuurlijke barrières waren zo naar verhouding veel minder troepen nodig dan anders bij een lange grens het geval zou moeten zijn.

De inundaties

Kom 1 Inundatie in het Land van Altena

Kom 2 Inundatie tussen de Merwede bij Gorinchem en de Lek bij Ameide (de Alblasserwaard en delen van de Vijfheerenlanden en de Tielerwaard)

Kom 3 Inundatie tussen de Lek bij Schoonhoven en de Hollandsche IJssel bij Goejanverwellesluis (de Krimpenerwaard en Lopikerwaard (deels))

Kom 4 Inundatie van de Hollandsche IJssel bij Goejanverwellesluis tot de Oude Rijn bij Nieuwerbrug en de Wierickerschans en vandaar tot het Woerdens Verlaat. Het eerste gedeelte was aan de west- en oostzijde begrensd door de Dubbele en Enkele Wiericke, het tweede gedeelte door respectievelijk de Grecht en de Meije

Kom 5 Inundatie vanaf het Woerdens Verlaat tot de Amstel en van daar tot de Zuiderzee bij Muiden

De eerste waterlinies

Formulier toevoegen

Nadat het Staatse leger in 1585 bij Amerongen een nederlaag tegen de Spanjaarden leed, werd de sluis bij Vreeswijk geopend om de omliggende landen te inunderen en de vijand tot staan te brengen. In een eerder stadium van de strijd waren bij Den Briel (1572), Leiden (1574) en Woerden (1575-1576) delen van de omgeving onder water gezet om de vijand op afstand te houden. In deze fase ging het echter nog om incidentele inundaties. Ook in het latere Zeeuws-Vlaanderen zijn tussen 1583 en 1586 veel polders onder water gezet om de Staatse gebieden (Terneuzen, Axel, Antwerpen) beter te kunnen verdedigen.

Geleidelijk werd duidelijk dat de oorlog met Spanje van lange duur zou zijn. In Holland begon men daarom onderzoek te doen naar manieren om de verdediging te optimaliseren. Het verdedigingswapen van de inundatie was een mogelijkheid die het cultuurlandschap van Holland en West-Utrecht bood. Het betreffende cultuurlandschap was namelijk polderland dat kunstmatig droog gehouden werd met poldermolens en dat desgewenst onder water gezet kon worden. Het optreden van de Spaanse troepen in de Zuidelijke Nederlanden en het verlies van enkele steden in het oosten maakte duidelijk dat met een Spaanse inval in Holland en Utrecht rekening gehouden moest worden. De Staten van Holland probeerden daarom samen met Utrecht een gezamenlijke verdediging op te zetten. In 1589 volgden hiervoor de eerste plannen. Twee waterlinies waren daarbij in het geding: een Grebbelinie (van de Zuiderzee door de Gelderse Vallei naar de Neder-Rijn ten oosten van de Grebbeberg) en een Utrechtse waterlinie (tussen Muiden, Utrecht en langs de Vaartse Rijn naar Vreeswijk aan de Lek). Pas in 1629 werd echt werk gemaakt van de Utrechtse waterlinie en werden bij Hinderdam, Nieuwersluis, Utrecht en Vreeswijk eenvoudige aarden verdedigingswerken aangelegd. Bijna een halve eeuw later bleek uit een onderzoek dat grote hoeveelheden kwelwater de inrichting van deze linie bemoeilijkte en duur maakte. Daarnaast weigerden de Staten van Utrecht hun soevereiniteit in geval van oorlog  op te geven; bovendien zagen zij meer in een verdediging in de Gelderse Vallei. Daarop werd in het voorjaar van 1672 besloten Utrecht zonder verdediging te laten.

In Holland besloot men zelf te onderzoeken hoe door het inlaten van water op diverse lage plaatsen of anderszins het land voor de vijand ontoegankelijk gemaakt konden worden. Voor de verdediging van Holland werd gekozen voor inundaties langs de oostgrens van het gewest, waarbij ook Utrechts grondgebied werd betrokken. Doordat grote delen van dit gewest later door de Fransen waren ingenomen, hoefde toen geen rekening gehouden te worden met de (oorspronkelijke) soevereiniteit van Utrecht. Dat vooral de lange oostgrens van het machtige en rijke Holland bescherming behoefde, had te maken met het verdedigingsstelsel van de Republiek, waarin de IJssel (in Gelderland en Overijssel) veel minder een barrière vormde voor vijanden dan de verschillende grotere rivieren in het zuiden (Lek, Waal, Maas, Merwede). Onderzoek in de gebieden van de hoogheemraadschappen van Rijnland en Woerden, Schieland, Delfland, de Krimpenerwaard, de Alblasserwaard, het Land van Altena en dergelijke resulteerde in gedetailleerde beschrijvingen van de uiteenlopende polderpeilen. Aan de hand van deze rapporten begon men aan de noodzakelijke voorwerkzaamheden die voor mogelijke inundaties vereist waren, maar door het acute oorlogsgevaar moest er al in juni/juli 1672 daadwerkelijk geïnundeerd worden.