Kom meer te weten over de verschillende vestingsteden: Woudrichem, Gorinchem, Nieuwpoort, Schoonhoven, Oudewater, Woerden, Montfoort, Nieuwersluis, Weesp, Naarden en Muiden.

De parels van de Oude Hollandse Waterlinie

Het bijzondere van deze vestingsteden is dat ze vrijwel allemaal volgens het militaire concept Fortificatie in de praktijk (zie hieronder) uit de Gouden Eeuw zijn versterkt en ontwikkeld, met bastions, vestingwallen, poorten, schansen, arsenalen en kazernes. En vooral de militaire objecten uit die tijd: de sluizen, bruggen en inlaatpunten, die door de vestingwerken moesten worden beschermd.

Sommigen beweren dat de Oude Hollandse Waterlinie niet meer herkenbaar is, maar dat is onzin. Stuk voor stuk zijn de vestingsteden goed herkenbaar in het landschap en geven ze niet alleen een beeld van de waterlinie, maar ook van het rijke culturele leven uit de Gouden Eeuw.

Fortificatie in de praktijk

In 1673 is voortvarend een begin gemaakt met de daadwerkelijke fortificatie van de Hollandse waterlinie. In het zuiden was de vestingdriehoek Gorinchem, Woudrichem en Loevestein goed verdedigbaar. Kleine versterkingen konden hier volstaan. Langs de Lek hadden de Fransen Ameide in 1672 verwoest en zou het dijkstadje Nieuwpoort tot vesting moeten worden gemaakt. In Schoonhoven werd het aantal bastions van drie (aan de oostkant) uitgebreid tot acht. De stad was hierdoor geheel gesloten in militair opzicht. Samen zouden Nieuwpoort en Schoonhoven de toegang via de Lek en de hoge dijken voorgoed moeten afgrendelen.

In het kleigebied van de Hollandse IJssel en de Oude Rijn werd de vesting Oudewater behoorlijk versterkt, hoewel deze stad nog niet officieel in de waterlinie was opgenomen. Bij Gouda werden in 1673 enige verdedigingswerken aangelegd in verband met de waterlinie. Op de plaatsen waar de Dubbele en Enkele Wiericke de Hoge Rijndijk kruisten (de toenmalige weg van Woerden naar Leiden) werden na de verwoestingen van het Franse leger nieuwe fortificaties opgebouwd. Aan de oostkant bij de Nieuwerbrug was dat een klein fort (samen met een kleinere dijkpost aan de andere zijde van de Oude Rijn) en daar achter aan de westkant een groot fort op de plek van een oude schans: Fort Wierickerschans. Woerden bleef tot november 1673 in vijandelijke handen.

Vesting Nieuwersluis

In het noorden moesten vestingsteden en forten de toegang tot Holland en Amsterdam via het mondingsgebied van de Vecht en langs de Zuiderzee vergrendelen. Muiden werd echt versterkt, terwijl Weesp tot een vesting gemaakt zou moeten worden. Naarden bleef tot september 1673 in het bezit van de Fransen. In deze hoek werden tevens enkele schansen uitgebouwd tot forten bij Uitermeer, ter bescherming van de sluis in de Gravelandse Vaart naar het oosten. En bij de Hinderdam, ter controle van de beide Vechtoevers en de smalle Kees-Jan-Toonekade. Verderop langs de Vecht werd bij de Nieuwersluis zelfs een complete vesting uit de grond gestampt in 1673. Hierdoor kon de inundatie in zuidoostelijke richting uitgebreid worden.

In korte tijd werden enorme bedragen geïnvesteerd en grote aantallen arbeidskrachten ingezet in de gestelde inundaties en fortificaties tussen Gorinchem en Muiden. En daarmee een bewijs dat het niet (langer) ontbrak aan vitaliteit om zich teweer te stellen tegen de vijand.