Reddeloos, redeloos, radeloos

In 1672 bleek de landverdediging door verwaarlozing echter amper een hindernis en rukten de vijandelijke legers, in naam van de Franse zonnekoning Lodewijk XIV (1638-1715), angstwekkend snel op naar het hart van de Republiek: Holland en Amsterdam. Dat de omringende landen zich in het voorjaar van 1672 tegen de Republiek keerden had vooral te maken met de grote handelsbelangen. In het toenmalige centrum van de wereldhandel en de scheepvaart was immers veel te halen. Verder met andere zaken zoals politieke en militaire allianties, territoriale aanspraken en rivaliteiten, dynastieke ambities en verwikkelingen, godsdienstige, ideologische en andere kwesties. Die waren echter van alle tijden, maar in 1672 schoot het diplomatiek en politiek handelen van de leidende regenten van de Republiek kennelijk beslissend tekort. En zo werd 1672 hét traumatische jaar in de Gouden Eeuw.

In dit Rampjaar werd de jonge Prins Willem III tot stadhouder en opperbevelhebber verheven. Maar het was ook het jaar van militaire ineenstorting, van bijna totale demoralisering; het jaar waarin de ondergang van de machtige en bedrijvige Republiek aanstaande leek; het jaar van de grootste krach op de Beurs van Amsterdam in de vroegmoderne periode, van de verlamming van de Nederlandse handel en financiën, met een run op de wisselbanken; het jaar waarin de bouw van publieke werken abrupt stokte en de kunsthandel ineenstortte; het jaar van sensationele en moorddadige gebeurtenissen in de binnenlandse politiek en van hoog oplopende ideologische conflicten; het jaar van totale verwarring en grote volkswoede op het leger en de regenten; kortom de gedachte overheerste ‘het land is reddeloos, het volk redeloos en het bestuur radeloos’.

Nadat de vijand tot in de Betuwe was doorgedrongen, verliet het Staatse leger de stelling achter de Gelderse IJssel en trok zich terug. De nieuwe stelling waar het leger na het verlaten van de stad Utrecht geplaatst werd, strekte zich uit van Gorinchem, Woudrichem en Loevestein via Ameide en Schoonhoven, Goejanverwellesluis, Nieuwerbrug en Bodegraven, via het Woerdens Verlaat, Uithoorn en Ouderkerk aan de Amstel, Abcoude, Hinderdam, Uitermeer, Weesp naar Muiden en het Muiderslot. Deze stelling moest het in de eerste plaats hebben van de aaneengeschakelde inundaties rond de genoemde plaatsen, Een aantal wegen en polderkaden deden daarbij dienst als keerkaden. Op de cruciale plaatsen in de linie – vooral de waterlopen met de sluizen – werden in eerste instantie oude schansen in gereedheid gebracht en gewapende schepen geposteerd. De waterlinie werd door de rivieren de Merwede, de Lek, de Hollandsche IJssel, de Oude Rijn en de Vecht in verschillende gedeelten of kommen verdeeld.

Verloop van de strijd

In eerste instantie was onderwaterzetting de hoofdmoot van de verdediging; vestingen lagen in 1672 alleen aan de uiteinden van de waterlinie (Gorinchem, Woudrichem en Loevestein in het zuiden en Naarden, Muiden en het Muiderslot in het noorden) en voor een klein deel bij Schoonhoven. Het gebied werd in 1672 daarom vooral met vaartuigen verdedigd. In tegenstelling tot de landverdediging was de verdediging op het water namelijk wel in orde, mede te danken aan een tweetal tamelijk recente zeeoorlogen in 1652- 1654 en 1665-1667 tegen de grote maritieme rivaal Engeland. De oorlogsvloot van de Republiek onder leiding van Michiel Adriaanszoon de Ruyter (1607-1676) hield in het Rampjaar een gecombineerde Engelse en Franse oorlogsvloot op afstand waardoor invasies vanuit zee achterwege bleven.

Gedurende ruim een jaar lagen de legers aan beide zijden van de inundaties en werd regelmatig met kleinere eenheden gepoogd de linie over te steken en in het gebied van de tegenpartij verwarring te stichten of plunderingen aan te richten. Deze ‘schermutselingen’ speelden zich af in een decor van de eerder beschreven dijken en kaden die boven het geïnundeerde land uitstaken.

De inundaties wisten de Fransen weliswaar tot staan te brengen, maar de invallende vorst dreigde eind december 1672 roet in het eten te gooien. De watervlakten werden immers begaanbaar en een flinke Franse troepenmacht trok het ijs over ten noorden van de Oude Rijn via Zegveld, waar geen versterkingen waren om de soldaten tegen te houden. De plotselinge dooi in de dagen daarna dreigde de Fransen evenwel fataal te worden. Ze konden echter via de zuidoever van de Oude Rijn terug omdat een Staatse bevelhebber daar de versterking bij Nieuwerbrug had verlaten. Het onbeschermde gebied aan de zuidzijde van de Oude Rijn werd door het Franse leger totaal verwoest.

De Franse terugtocht

De inundaties waren in het Rampjaar met grote haast en soms bij toeval gesteld, waardoor grotere gebieden dan strikt noodzakelijk was, onder water kwamen te staan. In 1673 begon het tij echter te keren en nam het geloof in een goede afloop toe.

Het defensieve maakte daardoor plaats voor het offensieve, ook in de inrichting van de waterlinie. Vanaf het begin van 1673 kwam er meer systeem in de wijze van inunderen: verschillende doorgravingen werden gedicht, dijken en kaden verzwaard en/of verhoogd en inundaties teruggebracht tot het nodige, terwijl op 1 augustus 1673 een vast peil werd bepaald waarop het inundatiewater gesteld zou moeten blijven. Welk peil dit was, is onbekend. Het werd afgekondigd op gezag van de prins van Oranje. De aanleg van een nieuw sluizencomplex in de Vecht in Muiden vanaf 1673 was van cruciale betekenis om de inundatie goed te kunnen regelen. Deze grote zeesluis zou de oude sluizen in de Hinderdam, op de grens van Utrecht en Holland, overbodig maken, overigens na bijna een eeuw van plannenmakerij en tegenwerking van Utrecht.